From 1 - 10 / 13
  • De dataset 'Bodemprofielen kartering Belgische bodemkaart' bevat de relevantste informatie van alle bodemprofielen (met inbegrip van bodemhorizonten) uit de Aardewerk-Vlaanderen-2010 databank. Voor een volledige weergave van alle attribuutinformatie van de bodemprofielen wordt verwezen naar de volledige Aardewerk-Vlaanderen-2010 databank. Aardewerk-Vlaanderen-2010 is een databank met de beschrijving en analyseresultaten van 7.020 bodemprofielen en 42.529 geassocieerde bodemhorizonten, aangevuld met 9.281 oppervlaktemonsters, allen gesitueerd op het grondgebied Vlaanderen en Brussel. Deze gegevens (143 variabelen) werden verzameld tijdens de systematische bodemprofielstudie, die tussen 1949 en 1971 werd uitgevoerd in België, onder auspiciën van het Instituut tot aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw. Het Centrum voor Grondonderzoek van de Rijksuniversiteit Gent met afdelingen aan de Katholieke Universiteit Leuven en de Facultés des Sciences Agronomiques de Gembloux stond in voor de realisatie van deze studie.

  • De thermische geleidbaarheidskaarten van de Vlaamse ondergrond, in opdracht van de Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen, geven de thermische geleidbaarheid van de Vlaamse ondergrond tot een diepte van 100m of tot op de vaste rots. Deze kaarten zijn rasterkaarten (grids) die de gemiddelde thermische geleidbaarheid van de Vlaamse ondergrond voorstelt in cellen van 100 op 100m.

  • De thermische geleidbaarheidskaarten van de Vlaamse ondergrond, in opdracht van de Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen, geven de thermische geleidbaarheid van de Vlaamse ondergrond tot een diepte van 100m of tot op de vaste rots. Deze opdracht is erop gericht om de ontbrekende geologische formaties, ten opzichte van een eerdere opdracht in 2004, te analyseren en een verfijning na te streven van de geschiktheidskaart naar het gebruik van verticale sondes voor energiewinning en energieopslag. De database werd uitgebreid door de bepaling van de thermische geleidbaarheid van 10 andere nog niet eerder onderzochte formaties. Op deze manier kan een goed inzicht bekomen worden in de thermische geleidbaarheid van de ondiepe ondergrond van Vlaanderen, zodanig dat het ook mogelijk moet worden een meer verfijnde geschiktheidskaart op te stellen van de Vlaamse ondergrond voor koude-warmte opslag en boorgatenergiewinning. Deze kaarten zijn lijnenkaarten die de gemiddelde, minimaal en maximaal gemiddelde thermische geleidbaarheid van de Vlaamse ondergrond voorstellen. Deze contouren hebben een equidistantie van 0.1 W/mK. Elke sprong stelt bijgevolg een verschil in thermische geleidbaarheid van 0.1 W/mK voor. De minimale gemiddelde thermische geleidbaarheid over een diepte van 100 meter bedraagt 1.6 W/mK, de maximale 3.0 W/mK.

  • De dataset 'Oppervlaktemonsters kartering Belgische bodemkaart' bevat de relevantste informatie van alle oppervlaktemonsters uit de Aardewerk-Vlaanderen-2010 databank. Voor een volledige weergave van alle attribuutinformatie van de oppervlaktemonsters wordt verwezen naar de volledige Aardewerk-Vlaanderen-2010 databank. Aardewerk-Vlaanderen-2010 is een databank met de beschrijving en analyseresultaten van 7.020 bodemprofielen en 42.529 geassocieerde bodemhorizonten, aangevuld met 9.281 oppervlaktemonsters, allen gesitueerd op het grondgebied Vlaanderen en Brussel. Deze gegevens (143 variabelen) werden verzameld tijdens de systematische bodemprofielstudie, die tussen 1949 en 1971 werd uitgevoerd in België, onder auspiciën van het Instituut tot aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw. Het Centrum voor Grondonderzoek van de Rijksuniversiteit Gent met afdelingen aan de Katholieke Universiteit Leuven en de Facultés des Sciences Agronomiques de Gembloux stond in voor de realisatie van deze studie.

  • De dataset 'Bodemprofielen kartering Belgische bodemkaart' bevat de relevantste informatie van alle bodemprofielen uit de Aardewerk-Vlaanderen-2010 databank. Voor een volledige weergave van alle attribuutinformatie van de bodemprofielen wordt verwezen naar de volledige Aardewerk-Vlaanderen-2010 databank. Aardewerk-Vlaanderen-2010 is een databank met de beschrijving en analyseresultaten van 7.020 bodemprofielen en 42.529 geassocieerde bodemhorizonten, aangevuld met 9.281 oppervlaktemonsters, allen gesitueerd op het grondgebied Vlaanderen en Brussel. Deze gegevens (143 variabelen) werden verzameld tijdens de systematische bodemprofielstudie, die tussen 1949 en 1971 werd uitgevoerd in België, onder auspiciën van het Instituut tot aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw. Het Centrum voor Grondonderzoek van de Rijksuniversiteit Gent met afdelingen aan de Katholieke Universiteit Leuven en de Facultés des Sciences Agronomiques de Gembloux stond in voor de realisatie van deze studie.

  • AARDEWERK is een databank met de beschrijving en analyseresultaten van 7.020 bodemprofielen en 42.529 geassocieerde bodemhorizonten, aangevuld met 9.281 oppervlaktemonsters, allen gesitueerd op het grondgebied Vlaanderen en Brussel. Deze gegevens (143 variabelen) werden verzameld tijdens de systematische bodemprofielstudie, die tussen 1949 en 1971 werd uitgevoerd in België, onder auspiciën van het Instituut tot aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw. Het Centrum voor Grondonderzoek van de Rijksuniversiteit Gent met afdelingen aan de Katholieke Universiteit Leuven en de Facultés des Sciences Agronomiques de Gembloux stond in voor de realisatie van deze studie.

  • De dataset 'Horizonten van de bodemprofielen kartering Belgische bodemkaart' bevat de relevantste informatie van alle horizonten van de bodemprofielen uit de Aardewerk-Vlaanderen-2010 databank. Voor een volledige weergave van alle attribuutinformatie van de bodemprofielen en horizonten wordt verwezen naar de volledige Aardewerk-Vlaanderen-2010 databank. Aardewerk-Vlaanderen-2010 is een databank met de beschrijving en analyseresultaten van 7.020 bodemprofielen en 42.529 geassocieerde bodemhorizonten, aangevuld met 9.281 oppervlaktemonsters, allen gesitueerd op het grondgebied Vlaanderen en Brussel. Deze gegevens (143 variabelen) werden verzameld tijdens de systematische bodemprofielstudie, die tussen 1949 en 1971 werd uitgevoerd in België, onder auspiciën van het Instituut tot aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw. Het Centrum voor Grondonderzoek van de Rijksuniversiteit Gent met afdelingen aan de Katholieke Universiteit Leuven en de Facultés des Sciences Agronomiques de Gembloux stond in voor de realisatie van deze studie.

  • De kaart met de dieptecriteria helpt u bij het bepalen tot welke diepte er meldingsplicht is voor boringen opgedeeld onder rubriek 55.1 (verticale boring) en vanaf welke diepte er een milieuvergunning dient aangevraagd te worden (kaartlaag VLAREM-trein 2011, geldig tot en met 3 oktober 2014).

  • De verziltingskaart geeft de diepte weer van het grensvlak tussen zoet en zout grondwater in het kust- en poldergebied. De diepte is tov het maaiveld voor wat betreft de polders. Voor de duinen geeft de verziltingskaart een onderschatting weer aangezien geen rekening gehouden wordt met het variabel reliëf in dit gebied. Enige voorzichtigheid is hier dus geboden bij interpretatie van de kaart in duingebied. De oostelijke grens van de verziltingskaart van "Noordelijk Vlaanderen" wordt gevormd door de Schelde. Het verzilt gebied loopt echter verder door op de rechterscheldeoever, maar deze werd tot op heden niet in detail gekarteerd. De afbakening van verzilt gebied op de rechterscheldeoever wordt wel weergegeven op de kwetsbaarheidskaart van de provincie Antwerpen (De Breuck et al., 1986). Volledigheidshalve werd dit gebied in de verziltingskaart op DOV opgenomen en aangeduid met een groene arcering (verzilt - geen data). Het grensvlak tussen zoet en zout grondwater werd door De Breuck et al. (1974) gedefinieerd als een grondwater met een totaal opgelost stoffengehalte (total dissolved solids of TDS) van 1.500 ppm (of mg/l). Zoals uit de kaart kan afgeleid worden zijn zoetwaterlenzen voornamelijk uitgesproken onder duin- en kreekgebieden. Deze reliëfvormen bestaan over het algemeen uit goed doorlatende afzettingen waardoor hemelwater gemakkelijk infiltreert en zoetwaterlenzen tot ontwikkeling kunnen komen. Het kwetsbaar evenwicht tussen zoet en zout grondwater kan echter grondig verstoord worden door antropogene activiteiten.

  • De potentiële bodemerosiekaart per perceel (2012) geeft aan de hand van een klasseindeling de totale potentiële erosie van een bepaald landbouwperceel weer. De totale potentiële erosie houdt geen rekening met het huidige landgebruik (grasland of akkerland) en is de som van bewerkingserosie en watererosie. Erosie door water is een proces waarbij bodemdeeltjes door de impact van regendruppels en afstromend water worden losgemaakt en getransporteerd, hetzij laagsgewijs over een grote oppervlakte, hetzij geconcentreerd in geulen en ravijnen. Dit leidt o.m. tot een afname van de bodemkwaliteit en -productiviteit, maar ook tot belangrijke schade door modderoverlast in stroomafwaarts gelegen (woon)gebieden. Het kan gesteld dat erosie een van de belangrijkste vormen van bodemaantasting in Vlaanderen is. De potentiële bodemerosiekaart per perceel is gebaseerd op de percelenkaart 2011. Omdat de percelenkaart 2011 niet gebiedsdekkend is voor heel Vlaanderen werd een deel van de landbouwgebruiksgegevens ontleend aan een geclassificeerd satellietbeeld van OCGIS Vlaanderen. Dit beeld bevat echter enkel landgebruikinformatie en geen perceelsinformatie waardoor de berekeningen voor dit gebied vanzelfsprekend van een veel lagere kwaliteit zullen zijn. De potentiële bodemerosiekaart per perceel werd opgesteld doormiddel van computermodellering met een ruimtelijke resolutie van 5 m (Onderzoeksgroep Fysische en Regionale Geografie, Departement Aard- en Omgevingswetenschappen, K.U.Leuven). De berekening van de watererosie is gebaseerd op de herzien universele bodemverliesvergelijking of R.U.S.L.E. (Revised Soil Loss Equation, Renard et al, 1991). Het betreft een empirisch model waarmee de gemiddelde jaarlijkse bodemerosiesnelheid per oppervlakte-eenheid als gevolg van intergeul- en geulerosie wordt berekend als een product van 6 factoren: De bewerkingserosie werd berekend met behulp van Software gebaseerd op het watersedem model.