Actuele grondwaterstandindicator
Info
De grondwaterstandindicator is gebaseerd op maandelijkse peilmetingen in het primair meetnet door de VMM, SCK en De Watergroep voor freatische peilfilters met continue meetreeksen van minstens 11 jaar. Die maandelijkse peilmetingen worden aangevuld met dagelijkse modelberekeningen voor de periode 1991- heden.
- Wil je meer informatie over hoe de grondwaterstandindicator, de kaarten en figuren op deze pagina zijn opgesteld? Neem dan zeker een kijkje op de pagina 'Opbouw grondwaterstandindicator ' en naar de algemene pagina van de grondwaterstandindicator.
- Wil je de grafieken en cijfers van de meest actuele indicator meteen op kaart bekijken in de DOV-verkenner? Neem dan een kijkje op de kaartlaag 'Grondwaterstandindicator freatisch grondwater voor de tijd van het jaar (meest actueel)'.
- Wil je de rapporten van de afgelopen maanden en jaren bekijken, dat kan bij de 'Historische grondwaterstandindicator'.
- De actuele waterschaarste- en droogtetoestand in Vlaanderen kan u vinden op www.opdehoogtevandroogte.be.
datum rapport: 06-01-2026
referentiedatum: 05-01-2026
aantal gebruikte meetplaatsen: 170
Historische vergelijking
De freatische grondwaterstand schommelt tijdens het jaar: hoog op het einde van de winter en laag op het einde van de zomer. Met de grondwaterstandindicator kijken we naar de toestand van het grondwater t.o.v. alle peilen gedurende het jaar (absolute vergelijking) en de toestand voor de tijd van het jaar (relatieve vergelijking).
Absolute vergelijking: Staat het freatisch grondwater hoog of laag (ten opzichte van alle dagelijkse peilen van de referentieperiode)?
Op 05/01/2026 vertoonde 55% van de meetplaatsen een lage (41%) tot zeer lage (14%) freatische grondwaterstand. 37% vertoonde een normale, en 8% een hoge (7%) tot zeer hoge (1%) grondwaterstand (Figuur 1).
Op Figuur 1 zien we van april tot september een verschuiving van hoge naar lage grondwaterstanden. Deze situatie keert om in oktober waarbij het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden afneemt en het aandeel normale grondwaterstanden toeneemt. Vanaf oktober bevinden we ons in het hydrologisch winterseizoen (oktober-maart). Een verschuiving naar klassen met hogere grondwaterstanden is dan de normale trend. Sinds december is het aandeel normale grondwaterstanden amper toegenomen. Het aandeel hoge grondwaterstanden dat in december een toename kende, nam terug af en komt overeen met het aandeel in oktober. Het aandeel zeer hoge grondwaterstanden is sinds november afgenomen.
Als we vergelijken met januari 2025 zien we grote verschillen. Het aandeel (zeer) lage grondwaterstanden in 2025 was steeds véél kleiner dan in 2026, met rond de 1% (zeer) lage grondwaterstanden begin januari 2025 t.o.v. ongeveer 55% begin januari 2026. Het kleine aandeel (zeer) lage grondwaterstanden in januari 2025 wordt voorafgegaan door een vroegere en sterke toename van het aandeel (zeer) hoge grondwaterstanden in het najaar van 2024 ten opzichte van 2025. Die verschillen zijn uiteraard te wijten aan het enorme contrast in weersomstandigheden tussen 2024 en 2025: 2024 was in Ukkel het natste jaar sinds 1833 (de start van de metingen), terwijl de periode van maart t.e.m. augustus 2025 de tweede droogste was sinds 1892 (KMI). Afgelopen maanden, behalve oktober, viel er minder neerslag dan normaal.
Vanaf 06/01/2026 tonen de scenariogebaseerde voorspellingen dat het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden groot blijft in het droge weerscenario met ca. 55%. Bij een normaal scenario zou dat aandeel kunnen afnemen tot circa 35% en bij een nat scenario zelfs tot circa 20%. Zie de scenariogebaseerde voorspelling van 06/01/2026 tot 05/02/2026 met scenario’s voor normaal, nat en droog weer in de rechterkant van Figuur 1.
Relatieve vergelijking: Wat is de toestand van de freatische grondwaterstand voor de tijd van het jaar?
Op 05/01/2026 vertoonde 82% van de meetlocaties een lage (15%) tot zeer lage (67), 11% een normale, en 7% een hoge (5%) tot zeer hoge (2%) grondwaterstand voor de tijd van het jaar (Figuur 2).
Op Figuur 2 zien we van begin januari 2024 tot begin maart 2025 vooral hoger dan normale grondwaterstanden voor de tijd van het jaar. Daarna zien we onder invloed van de optredende droogte een sterke toename van het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden voor de tijd van het jaar. Vanaf juli 2025 ligt dat aandeel boven de 60%. Vanaf oktober nam het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden voor de tijd van het jaar af. Maar vanaf december nam dit aandeel weer toe tot ca. 80% in 2026. Het aandeel (zeer) lage grondwaterstanden voor de tijd van het jaar is veel groter dan begin januari 2024 en 2025.
Vanaf 06/01/2026 tonen de scenariogebaseerde voorspellingen aan dat het aandeel lage tot zeer lage grondwaterstanden voor de tijd van het jaar kan toenemen tot ca. 85% in het droge scenario. Bij een normaal scenario zal dat aandeel ongeveer gelijk blijven op ca. 80%. Bij een nat scenario kan dit aandeel afnemen tot ca. 70%. Zie de scenariogebaseerde voorspelling van 06/01/2026 tot 05/02/2026 voor een normale, natte en droge situatie in de rechterkant van Figuur 2.
Figuur 3 toont de grafiek voor de relatieve toestand van 01/01/2000 tot 01/12/2025. In de periode 2017-2020 en het jaar 2022 waren er duidelijk langere periodes met grotere percentages lage tot zeer lage freatische grondwaterstanden voor de tijd van het jaar. Iets langere periodes met belangrijke aandelen normale/hoge grondwaterstanden voor de tijd van het jaar kwamen in die jaren nauwelijks voor, met uitzondering van het voorjaar van 2018.
De natte zomer van 2021 en de periode vanaf 2023 staan in sterk contrast met de droge periode daarvoor. Vanaf het najaar van 2023 tot begin maart 2025 zien we overwegend hoge tot zeer hoge relatieve grondwaterstanden. Daarna keert de situatie opnieuw om richting overwegend lager dan normale grondwaterstanden.
Deze (en de verdere) evolutie hangt nauw samen met de hoeveelheid neerslag en verdamping. Samen bepalen ze het neerslagtekort of-overschot. Bij een groter dan normaal neerslagtekort dalen de grondwaterstanden sneller of herstellen ze trager dan normaal, en omgekeerd. Als door klimaatverstoring extreme weersomstandigheden (uitzonderlijk droog of nat) frequenter optreden of langer aanhouden, zal dit zich ook weerspiegelen in de situatie van het freatisch grondwater.
Figuur 4 toont de verdeling van de verschillen (op 170 locaties) tussen het gemiddeld grondwaterpeil voor elk individueel seizoen en het gemiddeld peil voor dat seizoen in de referentieperiode 1991-2020. Deze grafiek toont hoeveel de peilen afwijken van het normale niveau voor een bepaald seizoen. In de lente en zomer van 2024 was de gemiddelde grondwaterstand voor de mediane meetplaats ruim 40 cm hoger dan normaal. Ook in de natte periode 2000-2002 was die stand enkele tientallen centimeter hoger dan normaal. In de periode 2017-2020, met uitschieter herfst 2018, was die stand net enkele tientallen centimeter láger dan normaal. Van lente tot herfst 2025 was de mediane grondwaterstand opnieuw verschillende tientallen centimeter lager dan normaal.
Is het freatische grondwater gestegen of gedaald ?
Op 05/01/2026 waren op 49% van de meetplaatsen de (absolute) freatische grondwaterstanden gestegen t.o.v. een maand eerder. Op 35% van de resterende meetplaatsen bleven de peilen stabiel terwijl ze op 16% verder daalden. Begin januari bevinden we ons in het hydrologische winterseizoen (oktober-maart), waarin een verschuiving naar klassen met hogere (absolute) grondwaterstanden de normale trend is.
Ondanks die absolute stijgingen bevindt het freatische grondwater zich nog steeds in een droge situatie onder invloed van het opgebouwde neerslagtekort van de afgelopen maanden. Oktober 2025 was iets natter dan normaal, maar november was droger en december extreem veel droger dan normaal, waardoor de freatische grondwaterstanden nog niet structureel hersteld zijn. Zoals hierboven vermeld vertoonde 82% van de meetlocaties een lage (15%) tot zeer lage (67), 11% een normale, en 7% een hoge (5%) tot zeer hoge (2%) grondwaterstand voor de tijd van het jaar (op 05/01/2026).
Figuur 5 toont de relatieve grondwaterstandindicator met stijgende/dalende peilen.
Worden er volgende maand zeer lage of zeer hoge freatische grondwaterstanden verwacht?
Volgende maand verwachten we bij nat weer op 3% van de meetplaatsen zeer hoge grondwaterstanden (>P90) voor de tijd van het jaar, en zowel bij droog als normaal weer op 2% van de meetplaatsen. Die meetplaatsen bevinden zich vooral in het oosten van Vlaanderen (Figuur 2 en Figuur 6).
Volgende maand verwachten we bij droog weer op 71% van de meetplaatsen zeer lage (<P10) grondwaterstanden voor de tijd van het jaar. Bij normaal en nat weer wordt dat percentage 65 en 42%. Die meetplaatsen bevinden zich vooral in het westen en noorden van Vlaanderen (Figuur 2 en Figuur 7).
Besluit freatisch grondwater
Onder invloed van de droogte sinds februari 2025 blijft de toestand van het freatische grondwater overwegend lager dan normaal. December 2025 was opnieuw een drogere maand dan normaal, wat niet bevorderlijk was voor het structureel herstel van de freatische grondwaterstanden: op 05/01/2026 vertoonde 82% van de meetlocaties een lage (15%) tot zeer lage (67%), 11% een normale, en 7% een hoge (5%) tot zeer hoge (2%) grondwaterstand voor de tijd van het jaar.
Meer info over de werking van het grondwatersysteem (en de betekenis van lage grondwaterstanden) vind je in dit filmpje. Op dov.vlaanderen.be vind je alle grondwaterstanden, de huidige toestand en de interactieve kaart voor het freatische grondwater.