Plastische gronden

De Vlaamse klei is een begrip, onder meer vanwege de producten die de keramische industrie ermee vervaardigt. Op veel plaatsen in Vlaanderen zit er plastische klei onder de grond, al dan niet dicht aan de oppervlakte. Kleigronden zijn in min of meerdere mate plastisch. Ze kunnen een volumeverandering ondergaan, dit wil zeggen zwellen en/of krimpen bij de opname of afgave van water. Kleigronden bestaan uit klei, maar kunnen ook andere bestanddelen als zand, silt, grind, ... bevatten. Kleimineralen in de Vlaamse bodem en ondergrond kunnen een zwel- en krimpgedrag vertonen bij verandering van het watergehalte in de grond. Dit zwel- en krimpgedrag is in meer of mindere mate afhankelijk van de mineralogie, de diepte van de klei, de verweringsgraad en de dikte van de grond, en kan een risico inhouden bij bouwen op kleigronden of bij hergebruik ervan.

Met dit loket willen we toegepaste informatie aanbieden over het mogelijk voorkomen van klei in de Vlaamse bodem en ondergrond.

Kleimineralen in de Vlaamse bodem en ondergrond kunnen water opnemen of afgeven, en als gevolg dus zwellen en krimpen bij verandering van het watergehalte in de grond. Dit kan een volumeverandering teweeg brengen en schade veroorzaken bij bouwen op zulke grond, of bij hergebruik van deze gronden. Dit zwel- en krimpgedrag is in meer of mindere mate afhankelijk van de mineralogie, de diepte van de klei, de verweringsgraad en de dikte van de grond. Het zwel- en krimpgedrag vertoont zich bij veranderende waterhuishouding naar aanleiding van klimaatswijzigingen of veranderingen in de watertafel door bijvoorbeeld bemalingen, seizoenale schommelingen, vegetatie.... Het potentiële voorkomen van leemgronden wordt ook voorgesteld in dit loket, omdat ook deze gelijkaardige eigenschappen kunnen vertonen.

Ook glauconiet, een kleimineraal dat zich vaak in de zanden in onze Vlaamse ondergrond bevindt en het een typisch olijfgroene kleur geeft, heeft invloed op het zwel- en krimpgedrag van de grond, maar dat moet nog beter in beeld gebracht worden.

Ook waar veen in de bodem en ondergrond zit, kunnen verzakkingen optreden bij verlaging van de grondwatertafel, door oxidatie van het veen. Deze gronden worden hier niet in beschouwing genomen.

Het spreekt voor zich dat dit risico's kan inhouden bij het bouwen in of op zulke gronden of bij hergebruik van deze gronden. Hiervoor verwijzen we naar WTCB-Dossiers 2018/3.2, 2 p. , uitgegeven door het WTCB.

Gebruik

DOV stelt thematisch kaartmateriaal beschikbaar in een themaloket 'Plastische Gronden'  op basis van extracties uit de Digitale Bodemkaart van Vlaanderen, en op basis van het Geologisch 3D Model van Vlaanderen (G3Dv3 -  Deckers et al., 2019) en het Hydrogeologisch 3D Model van Vlaanderen (H3Dv2 - Deckers et al., 2019). De beschikbare kaarten zijn dus afgeleid van kaarten en modellen, gebaseerd op waarnemingen, proeven, interpretaties en interpolaties.

Terreinonderzoek moet steeds uitwijzen of er zich effectief klei in de ondergrond bevindt, welke de eigenschappen zijn van deze klei, onder welke toestand zich deze bevindt en in welke mate daarmee moet rekening gehouden worden bij constructies of hergebruik. De kaarten die DOV ter beschikking stelt geven enkel een indicatie van potentiële aanwezigheid van klei en/of leem. Het zijn noch risicokaarten, noch geven ze informatie over de mate van het potentiële zwel- en krimpgedrag. 

Deze kaarten geven het potentieel voorkomen van eenheden met klei, silt of leem als hoofdbestanddeel, samen met dikte-informatie, binnen de 5m onder de oppervlakte weer. Ze zijn niet gemaakt om een uitspraak te doen over de ligging van de freatische grondwatertafel. 

Gegevens uit de bodemkaart (1:20.000) van België

Om de kleigronden weer te geven, worden eenheden uit de bodemkaart die zware klei (textuurklasse = U), klei (textuurklasse = E) of een complex met klei (sterke variatie in moedermaterialen met o.a. klei aan het oppervlak) bevatten geselecteerd.  Ook de eenheden uit de bodemkaart die klei bevatten op geringe diepte onder een niet-kleibodem werden a.d.h.v. het substraat en de variante van het moedermateriaal geselecteerd. Al deze kaarten zijn vectoriële kaarten. De volgende kaartlagen worden gepubliceerd :

  • Voorkomen van klei in de laag 0-125cm (gebaseerd op de Bodemkaart)
  • Voorkomen van klei op een diepte van 20-125cm onder niet-kleibodems (gebaseerd op de Bodemkaart)

 

Voorkomen van klei in de laag 0-125cm (gebaseerd op de Bodemkaart)
Fig. 1: Voorkomen van klei in de laag 0-125cm (gebaseerd op de Bodemkaart)
Fig. 2: Voorkomen van klei op een diepte van 20-125cm onder niet-kleibodems (gebaseerd op de Bodemkaart)
Fig. 2: Voorkomen van klei op een diepte van 20-125cm onder niet-kleibodems (gebaseerd op de Bodemkaart)

 

Gegevens uit het (hydro)geologisch 3D model van Vlaanderen

Om de kleiige en lemige eenheden in de ondergrond voor te stellen, worden eenheden uit de 3D modellen, G3Dv3 en H3Dv2, geselecteerd die klei, leem of silt als hoofdbestanddeel hebben. Er worden aparte kaarten gepubliceerd voor de kleiige en siltige eenheden binnen het Quartair, de lemige eenheid van het Quartair en de kleiige en siltige eenheden van het Neogeen en Paleogeen. De Paleogene smectietrijke kleien zijn door hun mineralogische samenstelling het meest zwelgevoelig. Volgende kaarten zijn ter beschikking, gebaseerd op de geselecteerde eenheden uit G3Dv3 en H3Dv2 (zie lijst onderaan de pagina):

  • Dieptekaarten van de top van de eerst voorkomende Quartaire of Neogene en Paleogene kleiige of lemige laag in de eerste 5m onder het maaiveld (raster, 100*100m).
  • Diktekaarten, waar deze eenheden voorkomen binnen 5m diepte, binnen de eerste 5m (raster, 100*100m).
  • Totale diktekaarten,  waar deze eenheden voorkomen binnen 5m diepte (raster, 100*100m).
  • Een indexkaart met het voorkomen van de relevante kleiige en/of lemige Quartaire, Neogene en Paleogene eenheden op een bepaalde plaats (vector).

 

Diepte van de top van de eerste kleiige en siltige Quartaire eenheden van G3Dv3 en H3Dv2 binnen 5m-MV
Fig 3: Diepte van de top van de eerste kleiige en/of siltige eenheid van het Quartair van G3Dv3 en H3Dv2 binnen 5m onder het maaiveld
Diepte van de top van de eerste kleiige en/of siltige eenheid van het Neogeen of Paleogeen binnen de 5m onder het maaiveld
Fig 4: Diepte van de top van de eerste kleiige en/of siltige eenheid van het Neogeen of Paleogeen van G3Dv3 en H3Dv2 binnen 5m onder het maaiveld
Diepte van de top van de lemge eenheid van het Quartair van G3Dv3 en H3Dv2 binnen 5m onder het maaiveld
Fig 5: Diepte van de top van de lemige eenheid van het Quartair van G3Dv3 en H3Dv2 binnen 5m onder het maaiveld