Grondwatervergunningen

Vergunningen worden als instrument gebruikt om de kwantiteit en kwaliteit van grondwater te waarborgen én te herstellen. 

 

1. Situering

De gegevens betreffende de verleende grondwatervergunningen worden aan de overheid gerapporteerd. De vergunningen die nu actief zijn kunnen gevisualiseerd en bevraagd worden via de puntenlaag 'Huidige Grondwatervergunningen'. 
Bij de adviesverlening door de VMM, Afdeling Operationeel Waterbeheer voor vergunningsaanvragen wordt rekening gehouden met onder meer de basisdoelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water. Er geldt:

  • het standstill-principe: géén verdere daling van het waterpeil en kwaliteitsdegradatie ten gevolge van winningen;
  • het rationeel watergebruik: zo efficiënt mogelijk en waar mogelijk, maximaal gebruik makend van water van lage kwaliteit;
  • het duurzaamheidsprincipe: het streven naar een duurzaam evenwicht zodat ook op lange termijn nog grondwater kan gewonnen worden met minimale negatieve effecten.


Met deze basisprincipes in het achterhoofd wordt de draagkracht van de watervoerende laag onderzocht en wordt bepaald of de aangevraagde winning voldoende duurzaam watergebruik nastreeft. 

Voor waterlichamen die, conform de Kaderrichtlijn Water, als bedreigd of kwetsbaar gekarakteriseerd zijn, worden via de vergunning beperkingen opgelegd. Mogelijke beperkingen zijn het verkorten van de looptijd van de vergunningen (2 - 5 jaar) zodat tijdig bijgestuurd kan worden, het vergunde debiet beperken of het opleggen van bijzondere voorwaarden (zoals het inzetten van alternatieve bronnen, het uitvoeren van een wateraudit of waterbalansstudie en/of het monitoren van de peilen). De opgelegde beperkingen zijn aangepast aan de specifieke omstandigheden van de betrokken activiteit en van de locatie waar deze plaatsvindt. De beperkingen komen bovenop de sectorale voorwaarden (zie VLAREM II). 

Het heffingenbeleid is een toevoeging aan het vergunningenbeleid en moet zowel sturend als financierend zijn. Een verscherpt heffingenbeleid moet de sectoren aanzetten tot het investeren in een duurzaam watergebruik, het aanwenden van alternatieve bronnen en het investeren in best beschikbare technieken (BBT) en waterbesparende technieken. De inkomsten uit het heffingenbeleid worden samengebracht in het MINA-fonds. Dit fonds financiert de uitgaven, ongeacht de aard, tot al wat dienen kan met betrekking tot het beleid van het Vlaamse Gewest inzake de preventie, de bescherming, de administratie, het beheer en de sanering van het leefmilieu. 

Principe: in de heffingsformule is een laag- en gebiedsfactor ingebouwd. De laagfactor heeft betrekking op een hydrogeologische hoofdeenheid (HCOV-code) en kan gebruikt worden voor lagen die in hun geheel een verscherpt heffingenbeleid vereisen. Met de gebiedsfactor kan in een laag lokaal een differentiatie in de heffing aangebracht worden. 
Door naast een laag- ook een gebiedsfactor in te lassen kan vermeden worden dat winningen die in een bepaald gebied liggen, buiten de eigenlijke gevarenzone, maar binnen dezelfde laag, eveneens een verhoging krijgen: de prijsverhoging is dus alleen gericht op de eigenlijke probleemgebieden.

2. Geschiedenis van de vergunningenwetgeving

Het Decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer vormt de basis voor het reglementeren van het gebruik van grondwater. Het B. Vl. R. van 27.03.1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones gaf tot 30 april 1999 uitvoering aan deze bepaling.

Deze wetgeving maakte een onderscheid in drie categorieën.

  • categorie A:
    • < 96 m³/dag of < 30.000 m³/jaar
    • >= 96 m³/ dag - minder dan 1 jaar
  • categorie B:
    • >= 96 m³/dag of >= 30.000 m³/jaar (uitgezonderd A2 en C)
    • het kunstmatig aanvullen van het grondwater (voor zover niet in C)
  • categorie C:
    •  winningen en kunstmatige infiltratie bestemd voor openbare drinkwatervoorziening.

3. VLAREM

Sinds 1 mei 1999 is de grondwatervergunning geïntegreerd in de milieuvergunning (VLAREM). Voor het winnen van grondwater zijn er slechts twee uitzonderingen niet ingedeeld in VLAREM (winningen met een handpomp en winningen minder dan 500 m³/jaar waarvan het water alleen voor huishoudelijke doeleinden wordt gebruikt). De overige grondwaterwinningen zijn ingedeeld als klasse 1, 2 of 3. Voor klasse 1 en 2 geldt een vergunningsplicht en voor klasse 3 een meldingsplicht. De indelingslijst is terug te vinden als bijlage bij VLAREM I, waarbij het winnen van grondwater is opgenomen onder de rubriek 53.

53. Winning van grondwater

(De hierna vermelde debieten betreffen de totale capaciteit van alle grondwaterwinningen die samen met andere inrichtingen als een geheel moet worden beschouwd overeenkomstig de definitie van milieutechnische eenheid, bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM)

Uitzondering : 
De hierna vermelde inrichtingen zijn niet ingedeeld : 
a. een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt
b. een grondwaterwinning van minder dan 500 m³ per jaar waarvan het water uitsluitend voor huishoudelijke doeleinden wordt gebruikt

53.1

Boren van grondwaterwinningsputten en/of grondwaterwinning voor het uitvoeren van proefpompingen gedurende minder dan drie maanden

53.2

Bronbemaling die technisch noodzakelijk is voor ofwel de verwezenlijking van bouwkundige werken, ofwel de aanleg van openbare nutsvoorzieningen:
meer info in het stroomschema voor VLAREM - Rubriek 53.2


53.3

Drainering die noodzakelijk is om het gebruik en/of de exploitatie van cultuurgrond mogelijk te maken of houden

53.4

Bronbemaling, met inbegrip van terugpompingen van onbehandeld en niet-verontreinigd grondwater in dezelfde watervoerende laag,  die noodzakelijk is : 
1° voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer
2° voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden, ook wanneer dit water wordt gebruikt voor de openbare watervoorziening, wanneer de diepte waarop het water wordt gewonnen ten
opzichte van het maaiveld :
a) minder dan 10 m bedraagt, met een opgepompt debiet van maximaal 500 m³ per jaar 
b) minder dan 10 m bedraagt, met een opgepompt debiet van meer dan 500 m³ per jaar tot en met 30.000 m³ per jaar
c) 10 m of meer bedraagt, met een opgepompt debiet van meer dan 30.000 m³ per jaar

53.5

Bronbemaling, met inbegrip van terugpompingen van onbehandeld en niet-verontreinigd grondwater in dezelfde watervoerende laag, die noodzakelijk is om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of te houden

1°      met een netto opgepompt debiet van maximaal 30.000 m³ per jaar

2°      met een netto opgepompt debiet van meer dan 30.000 m³ per jaar;

53.6

Boren van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning die gebruikt wordt voor koudewarmtepompen, met inbegrip van terugpompingen, met een opgepompt debiet van : 
1° minder dan 30.000 m³/jaar
2° ten minste 30.000 m³/jaar

53.7

Andere boringen van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning voor de openbare watervoorziening dan de boringen, vermeld in subrubriek 53.1 en 53.4

53.8

Andere boringen van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning dan de boringen, vermeld in rubriek 53.1 tot en met 53.7 en 53.12, waarvan:

1° het totaal opgepompte debiet kleiner is dan of gelijk is aan 5000 m³ per jaar en

  • a) alle putten een diepte hebben die kleiner is dan of gelijk is aan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2ter van dit besluit
  • b) minimaal één put een diepte heeft die groter is dan het locatiespecifieke dieptecriterium, zoals op te zoeken via dit loket

2° het totaal opgepompte debiet groter is dan 5000 m³ per jaar en kleiner is dan of gelijk is aan 30.000 m³ per jaar

3° het totaal opgepompte debiet groter is dan 30.000 m³ per jaar

meer info ook in het stroomschema van VLAREM - Rubriek 53.8

53.9

Werkzaamheden voor het onttrekken van grondwater wanneer het jaarlijkse volume onttrokken water 10 miljoen m³ of meer bedraagt (er kan overlapping zijn met vorige rubrieken van hoofdrubriek 53.)

53.10

Waterbeheersingsprojecten voor landbouwdoeleinden, met name:
1° Een irrigatieproject van 100 ha en meer
2° Een droogleggingsproject van 50 ha of meer
3° Een droogleggingsproject van 15 ha of meer, dat een aanzienlijke verlaging van de freatische grondwatertafel in een bijzonder beschermd gebied tot gevolg kan hebben 
(Er kan overlapping zijn met een of meer subrubrieken van de rubrieken 52, 53, 54, 55 en 56)

53.11

Werken voor het onttrekken van grondwater:
1° Grondwaterwinningen, met inbegrip van terugpompingen van onbehandeld en niet-verontreinigd grondwater in dezelfde watervoerende laag, en met een netto onttrokken debiet van 2.500 m³ per dag of meer
2° Onttrekken van grondwater met een debiet van 1.000 m³ per dag of meer als de activiteit gelegen is in of een aanzienlijke invloed kan hebben op een gebied zoals aangeduid in uitvoering van het decreet houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen van 14 juli 1993, of als de activiteit een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken
(Er kan overlapping zijn met een of meer subrubrieken van de rubriek 53)

53.12

Boren van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning met inbegrip van terugpompingen van belucht grondwater in dezelfde freatische watervoerende laag voor ondergrondse beluchting, waarbij:

1° het totale netto opgepompte debiet kleiner is dan of gelijk is aan 30.000 m³ per jaar

2° het totale netto opgepompte debiet groter is dan 30.000 m³ per jaar

 

Andere rubrieken

Andere VLAREM rubrieken die van belang zijn voor grondwater zijn: 

  • 52. Lozingen in grondwater
  • 54. Het kunstmatig aanvullen van grondwater (andere dan deze bedoeld in rubrieken 52 en 53.7)
  • 55. Boringen
  • 56. Stuwen en overbrenging van water


Afhankelijk van de soort, de grootte van de installatie en/of zijn ligging kan een bepaalde installatie behoren tot klasse 1, 2 of 3 (zie Bijlage 1 Lijst van als hinderlijk beschouwde inrichtingen in titel I van het VLAREM). 
 

4. Grondwaterstatistiek en het Integraal Milieu Jaarverslag (IMJV)

De grondwaterstatistiek werd reeds jaren opgevraagd en verwerkt via een formulier op maat voor de bedrijven. In 2005 kwam daar verandering in. 2005 was immers het eerste jaar dat de grondwaterstatistiek van 2004 niet meer op de oude vertrouwde manier vanuit de buitendiensten van afdeling Water verstuurd en ontvangen werd, maar via het deelformulier grondwaterstatistiek van het Integraal Milieujaarverslag (IMJV) verliep. De inhoud van het IMJV werd vastgelegd door de Vlaamse regering in het Besluit van 2 april 2004 en aangepast door het Besluit van 7 januari 2005 en het Besluit van 27 januari 2006 (http://imjv.milieuinfo.be/wetgeving). 

De inhoud is het resultaat van een voorafgaande studie om de verschillende bestaande aangiften te integreren en een uitgebreide consolidatie van een nieuwe aangifte met de betrokken milieuadministraties (Departement Omgeving, de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij OVAM en Vlaamse Milieumaatschappij VMM). Dit resulteerde in het aangifteformulier voor 2005. 
De inhoud van het IMJV is afhankelijk van o.a. de milieuvergunningstoestand van de IMJV plichtige exploitatie. 
Via dit formulier moeten luchtemissies, wateremissies, grondwaterstatistiek en afvalstoffen gezamenlijk ingevuld en overgemaakt worden via een e-loket ontwikkeld bij Milieumanagement Informatiesysteem (MMIS) van departement Leefmilieu Natuur en Energie (LNE). 
In 2005 was het mogelijk om het formulier per post te ontvangen of het digitaal te downloaden via de website van het IMJV e-loket. Het invullen kon gebeuren op papier of digitaal in pdf-formaat. Per post kon het verstuurd worden op papier of digitaal per cd-rom en daarnaast was er de mogelijkheid de pdf file te uploaden via de website van het IMJV e-loket met een inlogsysteem dat gebruikt maakt van het federaal token. In 2006 was het e-loket gemigreerd naar een volledig digitaal loket. Er kwam een e-loket, waar het formulier volledig digitaal ingevuld en verstuurd kon worden. De mogelijkheid om het per post te versturen bleef ook bestaan voor de papieren versie. In 2006 werd 18% elektronisch ontvangen. Het jaar erop, de statistieken van het aangiftejaar 2007, was dit 23%. Voor het aangiftejaar 2008 werden er al meer dan de helft van de grondwaterdossiers elektronisch ingediend (51%). 
In 2007 werd er een import- en exportmodule ontwikkeld in xml-formaat. Zo werd een uitwisseling mogelijk gemaakt tussen de IMJV-applicatie en DOV. De digitale cijfers kunnen zo, mits de nodige validaties, ingelezen worden in DOV. 
Wegens privacy-regels zijn de grondwaterstatistieken niet voor iedereen consulteerbaar op de internetviewer van DOV. De gegevens vormen echter wel een onmisbare gegevensbron voor de beoordeling van de impact van waterwinning, zowel op lokale als op regionale schaal. 
Verwerving van deze gegevens dient door de bedrijven in samenwerking met de erkende laboratoria met de grootst mogelijke zorg, wetenschappelijk verantwoord en conform de wetgeving te gebeuren (VLAREM rubriek 53). 
Deze waardevolle gegevensbron vormt dan ook een bijzonder onderdeel van DOV. Het bijhouden van deze statistieken vergt een vol te houden inspanning. Zonder beschikbaarheid van lange meetreeksen is het grondwaterbeleid immers niet afdoende te onderbouwen. 
 

5. Opmerking vergunningstermijn

In de attribuuttabel van de puntenlaag huidige grondwatervergunningen kan je deze twee kolommen terugvinden: 

  • Begindatum vergunning
  • Einddatum vergunning

Dit zijn de datums van de algemene grondwatervergunning. Het is echter mogelijk dat er per watervoerende laag een deelvergunning bestaat. Dit komt bijvoorbeeld vaak voor bij vergunningen, met zowel een winning in de Sokkel of het Landeniaan, als een winning in het Quartair. Als een vergunning over twee grondwaterwinningen handelt, kan het zijn dat n van de twee een kortere looptijd heeft. Momenteel wordt enkel de langstlopende termijn weergegeven in de attribuuttabel. 
We werken er aan om binnenkort ook de datums van de deeltermijnen op te nemen in de attribuuttabel van de huidige grondwatervergunningen.