From 1 - 2 / 2
  • De breuken zijn gemodelleerd in de basis van elk pakket. Enkel voor de Sokkel (10_11_12Siluur_Ordovicium_Cambrium)worden de breuken in de top van het pakket gevisualiseerd. De meeste van deze breuken komen voor in de diepe ondergrond (in de top van de Sokkel komen zelfs breuken voor over geheel Vlaanderen), waarbij het aantal breuken dat hogerop in de stratigrafie doorloopt stelselmatig afneemt met afnemende diepte. In het Devoon en Carboon komen dus een belangrijk aantal breuken voor, in het Krijt al minder, in het Paleogeen en Neogeen neemt dit aantal nog verder af en in het Quartair komen slechts enkele belangrijke breuken meer voor (met name in en rond de Roerdalslenk) die gerelateerd zijn aan diepe(re) breuken. Bij de opbouw van het 3D‐model werd dit geologische concept van diep in de ondergrond startende en naar boven toe verdwijnende breuken gehanteerd in het bekken van de Kempen. Op plaatsen waar aanwijzingen waren voor de aanwezigheid van een breuk (bijvoorbeeld een groot verschil in diepteligging van het gemodelleerde laagvlak tussen twee dicht bij elkaar liggende datapunten), werd dan ook nagegaan of hier daadwerkelijk een breuk diende ingetekend te worden in het 3D‐model. Indien de aanwijzing voor de breuk op meerdere gemodelleerde niveaus aanwezig was en indien er op die plaats uit de literatuur (in de praktijk meestal het werk van Langenaeker 2000) bleek dat er in dieper liggende pakketten reeds een breuk werd gedocumenteerd, dan werd de breuk ingetekend. Uiteraard werd hier niet lichtzinnig mee omgesprongen en werd slechts een breuk ingetekend indien daar voldoende aanwijzingen voor waren, zoals de reeds vermelde sprong in het laagvlak, maar bijvoorbeeld ook de ruggensteun van seismische interpretaties of geomagnetische observaties. De aanwezigheid van een breuk (of breukzone) met absolute zekerheid vaststellen is evenwel niet altijd even eenvoudig. Deze controle valt buiten de opzet van het 3D lagenmodel. Men dient ook in het achterhoofd te houden dat de manier waarop de breuken voorgesteld zijn binnen het 3D lagenmodel inherent is aan de eigenschappen en beperkingen van het werken met (raster)vlakken op de schaal van Vlaanderen. Het is perfect mogelijk dat wat in het 3D lagenmodel is weergegeven als een continu doorlopende breuk van tientallen kilometer lang, in werkelijkheid een aaneenschakeling betreft van veel kortere breukfragmenten. De resolutie van het 3D lagenmodel laat echter niet toe deze mate van detail aan de breuken toe te kennen. Er is ten andere ook te weinig geweten over de exacte trajecten van deze breuken om de breuk of breukzones gedetailleerd in kaart te brengen. Dit vereist uitgebreide, specifieke studie, die volledig buiten het opzet van deze 3D‐modellering valt. Bij het intekenen van de breuken in het Neogeen en Paleogeen werd. Bij het intekenen van de breuken in het Neogeen en Paleogeen werd een helling van 70° aangehouden. Bij het intekeken van de breuken in de diepere ondergrond werden de breuken subverticaal ingetekend. Het Geologisch 3D model is opgemaakt in het kader van de beheersovereenkomst van de Vlaamse overheid met VITO, onder de noemer VLAKO, in opdracht van het departement LNE - Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen. Voor de 3D-visualisatie op DOV, werden d.m.v. de lijnenkaarten per formatie vlakken gereconstrueerd om de breukvlakken weer te geven.

  • De voorkomensgrenzen geven per gemodelleerd pakket weer waar de sedimenten voorkomen, althans waar ze gemodelleerd zijn. Het Geologisch 3D model is opgemaakt in het kader van de beheersovereenkomst van de Vlaamse overheid met VITO, onder de noemer VLAKO, in opdracht van het departement LNE - Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen.